← terug naar stukjes

Burgerlijke ongehoorzaamheid

De avond voordat ik voorzitter moest zijn van een stembureau in Hamont stond er een caravan van de N-VA voor De Posthoorn.

Ik was daar op een feestje en had genoeg gedronken om die caravan niet langer als parkeerkwestie te zien. Ik wilde de banden leksteken.

Klein praktisch probleem: ik had niets bij me waarmee je banden lek kunt steken. Dus liep ik er zonder plan maar met overtuiging naartoe en struikelde over de dissel.

De caravan had niets.

Ik wel.

De volgende ochtend zat ik met opengehaalde armen achter de tafel van het stembureau. Omdat ik jurist was, werd ik bij verkiezingen vrijwel automatisch voorzitter. Je krijgt een map, wat bijzitters en blijkbaar ook het recht om mensen in verwarring te brengen.

Als er in een stemhokje een alarm afging, zei ik: “Ah, ik denk dat ge op de verkeerde gestemd hebt.”

En wanneer iemand zijn stem in de stembus had gegooid: “Dat is dan 27 euro.”

“Allez, moet ge daar nu ook al voor betalen?”

Dat kreeg ik verbazingwekkend vaak terug.

Mijn dochter blijkt ongeveer hetzelfde soort activist. Ze ging onlangs naar toneelles en kwam thuis met een stapel racistische posters.

“Waar komen die vandaan?”

“Die hingen daar.”

Nu dus niet meer.

Wij noemen dit thuis burgerlijke ongehoorzaamheid.

Vooral burgerlijke.

We zijn namelijk geen diehardactivisten. We liggen graag op de bank, kijken veel televisie en ons politieke engagement bestaat vaak uit tegen het scherm zeggen dat iets werkelijk niet normaal is.

Onze actieradius is beperkt.

Ongeveer één meter.

Een racistische poster waar mijn dochter langsloopt, loopt gevaar. Een N-VA-caravan die zich voor mijn neus opstelt ook, al bleek die zichzelf uitstekend te kunnen verdedigen.

Ik zou graag geloven dat wij in iedere historische verzetsbeweging aan de juiste kant hadden gestaan.

De bezetter had dan alleen wel het fatsoen moeten hebben zijn hoofdkwartier naast onze woonkamer te vestigen.

De revolutie hoeft bij ons thuis niet op veel organisatorische ondersteuning te rekenen.

Maar als ze aanbelt, zijn we er wel.