Nederland heeft een probleem met homo-acceptatie. Dat blijkt uit het HBSC-onderzoek van de Universiteit Utrecht en het Trimbos-instituut, waarover onlangs werd bericht. Het percentage jongens tussen de twaalf en zestien jaar dat positief tegenover homoseksualiteit staat, is tussen 2021 en 2025 gedaald van 44 naar 22 procent. Bij meisjes ging het van 78 naar 51 procent.
De cijfers veroorzaakten begrijpelijkerwijs grote verontwaardiging. Nederland, ooit het eerste land ter wereld dat het huwelijk openstelde voor paren van hetzelfde geslacht, blijkt een generatie jongeren voort te brengen die aanzienlijk minder positief over homoseksualiteit denkt dan de generatie vóór hen. Een ontwikkeling die weinig reden geeft tot tevredenheid, al zou ik voorzichtig zijn met de veronderstelling dat we voordien in een bijzonder verlichte samenleving leefden. De Nederlandse reputatie op dat gebied is grotendeels door Nederland zelf gevestigd, en wij zijn doorgaans een buitengewoon tevreden publiek voor onze eigen prestaties.
Wat me bij het lezen van de berichtgeving bezighield, was echter iets anders. Homo-acceptatie. Het is een woord dat zo vanzelfsprekend is geworden dat we nauwelijks nog stilstaan bij wat het eigenlijk betekent.
We onderzoeken in hoeverre homoseksuelen worden geaccepteerd. We maken ons zorgen wanneer die acceptatie afneemt en vieren vooruitgang wanneer ze toeneemt. De bereidheid van de meerderheid om een minderheid te aanvaarden is kennelijk een graadmeter voor de beschaving van een samenleving.
Maar waarom moet iemand eigenlijk geaccepteerd worden?
Ik heb nog nooit een onderzoek gezien naar de acceptatie van heteroseksualiteit. Niemand vraagt middelbare scholieren of ze positief tegenover heteroseksuele mannen staan, waarna een minister zich genoodzaakt ziet een campagne te lanceren om het maatschappelijk draagvlak voor hun bestaan te vergroten. Heteroseksualiteit is de vanzelfsprekendheid waartegen andere seksuele oriëntaties worden afgezet. Ze heeft geen goedkeuring nodig, want ze verleent die zelf.
Daarmee verraadt het begrip acceptatie al iets over de machtsverhoudingen die we doorgaans pas beginnen te onderzoeken wanneer blijkt dat de acceptatie tekortschiet. Er is een groep die de norm vertegenwoordigt en een andere groep wier afwijking van die norm ter beoordeling wordt voorgelegd. De eerste mag bepalen hoe ruimdenkend zij zich wenst op te stellen. De tweede moet hopen dat de uitkomst gunstig is.
Dat noemen we vooruitgang.
Nederland heeft van die bereidheid om anderen te verdragen zelfs een nationale karaktereigenschap gemaakt. Wij zijn tolerant. Het staat ongeveer even vast als onze nuchterheid, onze directheid en het feit dat wij gezelligheid tot een morele kwaliteit hebben verheven. Het bewijs ligt voor het oprapen: coffeeshops, het homohuwelijk, de Wallen. Elders maken ze zich druk over dergelijke zaken, bij ons kan het allemaal. We lopen graag voorop, zolang niemand vraagt waar we precies naartoe lopen.
Vooral het gedoogbeleid is een wonderlijke Nederlandse uitvinding. Juridisch betekent gedogen dat een overheid onder bepaalde voorwaarden afziet van handhaving tegen iets wat in beginsel verboden blijft. De verkoop van cannabis in coffeeshops is daarvan het bekendste voorbeeld. Die verkoop blijft strafbaar, maar wordt onder voorwaarden toegestaan. Wie zich niet aan die voorwaarden houdt, kan alsnog worden vervolgd.
Een pragmatische oplossing voor een ingewikkeld beleidsprobleem, met de typisch Nederlandse elegantie van een systeem waarin iets tegelijk verboden en toegestaan kan zijn. Schrödingers coffeeshop, met een gedoogverklaring en een achterdeur waarover we liever geen vragen stellen.
Maar ergens is die bestuurlijke houding ook een culturele geworden. We gedogen wat afwijkt van de norm en beschouwen onze bereidheid daartoe als bewijs dat die norm kennelijk niet meer zo veel macht heeft.
Dat is een merkwaardige redenering. De mogelijkheid om iets te gedogen veronderstelt juist dat je de bevoegdheid behoudt om het af te keuren. De gedoogde is afhankelijk van de welwillendheid van degene die gedoogt. En die laatste hoeft zijn eigen positie geen moment ter discussie te stellen, want hij heeft immers al iets toegestaan.
Gedogen is geen vrijheid. Het is voorwaardelijke tolerantie, een gunst die elk moment kan worden ingetrokken.
Een gunst bovendien waarvoor van de ontvanger doorgaans enige dankbaarheid wordt verwacht. Want wie ergens mag zijn bij de gratie van andermans verdraagzaamheid, moet vooral niet te veel eisen gaan stellen. Dat zou immers getuigen van een gebrek aan waardering voor de ruimhartigheid waarmee men tot dusverre is behandeld.
Dat mechanisme beperkt zich allerminst tot seksuele oriëntatie. Het werkt ook bij vrouwelijke seksualiteit, bij religieuze minderheden en bij iedereen van wie het bestaan of gedrag pas aanvaardbaar wordt bevonden nadat de meerderheid daar voorwaarden aan heeft verbonden. De grenzen van de vrijheid worden vastgesteld door degenen die zich nooit hebben hoeven afvragen of zij zelf binnen die grenzen passen.
Neem de bekende uitspraak dat iemand helemaal geen moeite heeft met homoseksuelen, zolang ze hun geaardheid maar niet zo opdringen. Op het eerste gezicht klinkt dat redelijk. Niemand hoeft voortdurend met de seksualiteit van anderen geconfronteerd te worden, zou je kunnen denken. Alleen blijkt die overlast doorgaans nogal selectief te worden vastgesteld.
Een man die zijn vrouw op straat kust, demonstreert zijn liefde. Twee mannen die hetzelfde doen, kunnen volgens dezelfde redenering hun seksualiteit opdringen. Een heteroseksueel stel dat hand in hand loopt, gedraagt zich gewoon als een stel. Bij een homoseksueel stel wordt het plotseling een kwestie van zichtbaarheid, en zichtbaarheid is kennelijk iets waarvoor de meerderheid toestemming moet geven.
De voorwaarde is dus dat je jezelf mag zijn zolang anderen daar zo weinig mogelijk van merken. Dat is een bijzonder comfortabele vorm van tolerantie, vooral voor degene die niets hoeft te verbergen.
In De Groene Amsterdammer beschrijft Mounir Samuel hoe de vijandigheid tegenover homoseksuele en transgender personen op Nederlandse scholen steeds openlijker wordt. Docenten vertellen hem over studenten in zorgopleidingen die weigeren onderwijs over genderdiversiteit te volgen, en sommigen zouden zelfs transgender patiënten niet willen behandelen. Schoolbesturen beroepen zich volgens die docenten geregeld op hun neutraliteit.
Dat laatste vind ik bijna nog onthutsender dan de houding van die studenten.
Een toekomstige verpleegkundige die patiënten op grond van hun genderidentiteit wil uitsluiten, heeft een probleem met de beroepsuitoefening. Een onderwijsinstelling die daarop reageert met een beroep op neutraliteit, behandelt dat probleem alsof er twee gelijkwaardige standpunten bestaan waarover zij zich als onpartijdige scheidsrechter niet behoort uit te spreken. De patiënt moet kennelijk wachten tot het maatschappelijk debat is afgerond. Hopelijk heeft die geen acute zorg nodig.
Neutraliteit is een prettig beginsel zolang je zelf buiten het conflict staat. Zodra de ene partij de gelijkwaardige behandeling van een ander ter discussie stelt, krijgt de weigering om positie te kiezen wel degelijk gevolgen. Je kunt de beslissing uitstellen, maar daarmee verdwijnt de bestaande machtsverhouding niet. Ze mag voorlopig gewoon blijven functioneren.
Het is dezelfde terughoudendheid die Nederland zo graag als redelijkheid presenteert. We moeten niet overdrijven. Mensen mogen toch hun eigen mening hebben? Je kunt anderen niet dwingen om homoseksualiteit normaal te vinden.
Dat laatste klopt. Een liberale samenleving kan haar burgers niet verplichten om elkaars levenswijze te bewonderen. Iemand mag een homoseksuele relatie afkeuren, net zoals ik een huwelijk waarin de vrouw haar echtgenoot om toestemming vraagt om te gaan werken een bijzonder onaantrekkelijk arrangement mag vinden. Persoonlijke overtuigingen behoren tot de vrijheid die we juist willen beschermen.
Maar die vrijheid geeft niemand het recht om de gelijkwaardige behandeling van anderen afhankelijk te maken van zijn persoonlijke goedkeuring. Een verpleegkundige hoeft geen warme gevoelens te koesteren voor het leven van een patiënt om professionele zorg te verlenen. Een leraar hoeft de identiteit van een leerling niet te begrijpen om diens veiligheid te beschermen.
En de homoseksuele leerling hoeft helemaal niets te verdienen voordat hij zonder angst zichzelf mag zijn.
Daar ligt ook de beperking van onze nationale trots op tolerantie. Nederland heeft terecht belangrijke juridische stappen gezet in de emancipatie van homoseksuele mensen. Het huwelijk werd in 2001 opengesteld voor paren van hetzelfde geslacht. Dat was een wezenlijke uitbreiding van gelijke rechten, geen symbolisch gebaar dat we achteraf gering hoeven te achten.
Alleen hebben we de neiging om zulke verworvenheden vervolgens te behandelen als een eindafrekening. De wet is aangepast, de vlag kan uit en de maatschappelijke emancipatie is daarmee min of meer voltooid. Wie daarna nog ongelijkheid aanwijst, krijgt al snel te horen dat het elders veel erger is.
Dat is ongetwijfeld waar. Er is vrijwel altijd een land te vinden waar het erger is. Als maatstaf voor je eigen beschaving is het een buitengewoon praktisch instrument, want je hoeft alleen maar lang genoeg te zoeken tot je een samenleving vindt die het nog slechter doet.
Ook vrouwenemancipatie wordt regelmatig langs die meetlat gelegd. Nederlandse vrouwen kunnen studeren, werken en hun eigen geld verdienen. Dat zij tegelijkertijd nog altijd een onevenredig aandeel van de onbetaalde zorgarbeid verrichten, wordt doorgaans verklaard vanuit hun persoonlijke voorkeuren. We hebben de toegang tot economische zelfstandigheid geregeld en beschouwen de uitkomst vervolgens als een optelsom van individuele keuzes. Dat die keuzes binnen bestaande maatschappelijke verhoudingen worden gemaakt, verdwijnt uit beeld.
De Nederlandse tolerantie heeft daardoor een eigenaardige bijwerking: ze kan verdere emancipatie juist afremmen, omdat iedere nieuwe aanspraak op gelijkwaardigheid wordt afgemeten aan de vooruitgang die al is geboekt.
We zijn toch al zo ver?
Het is de Nederlandse Disney-filter. Waar het klassieke sprookje belooft dat alles uiteindelijk goed komt, heeft Nederland een veel efficiëntere variant ontwikkeld: de overtuiging dat alles eigenlijk al goed genoeg is. Of in elk geval niet zo slecht als elders, en zeker niet zo slecht dat we er nu iets aan hoeven te doen. De geruststelling werkt des te beter omdat ze zich voordoet als nuchterheid. Wie een structureel probleem aanwijst, krijgt een lesje relativeringsvermogen, bij voorkeur van iemand die zelf weinig last van het probleem ondervindt.
En zolang we ervan overtuigd blijven dat we het behoorlijk goed doen, hoeft er weinig te veranderen.
De dalende homo-acceptatie maakt die overtuiging ineens een stuk moeilijker vol te houden. Samuel betoogt dat de toenemende vijandigheid tegenover homoseksuele mensen samenhangt met een bredere politieke cultuur waarin ook andere minderheden tot zondebok worden gemaakt. Ik denk dat hij daarmee een wezenlijk punt raakt, al vertelt het HBSC-onderzoek ons op zichzelf nog niet waardoor de opvattingen onder jongeren zo sterk zijn veranderd.
Wat het onderzoek wel laat zien, is dat positieve opvattingen aanzienlijk minder vanzelfsprekend zijn geworden. Daarbij moeten we zorgvuldig blijven: een jongere die niet aangeeft positief tegenover homoseksualiteit te staan, is daarmee nog geen homohater. Een vragenlijst over houdingen meet geen bereidheid tot discriminatie of geweld.
Toch is die verschuiving maatschappelijk relevant. Voor een jongere die twijfelt of hij op school openlijk homoseksueel kan zijn, doet het ertoe hoe zijn klasgenoten daarover denken. Het verschil tussen een recht hebben en dat recht zonder angst kunnen uitoefenen, wordt daar behoorlijk tastbaar.
En misschien moeten we ook onderzoeken hoe vanzelfsprekend onze vroegere tolerantie werkelijk was. Een positieve houding tegenover homoseksualiteit vertelt ons iets over maatschappelijke opvattingen, maar nog niet hoeveel ruimte mensen bereid zijn aan anderen te geven wanneer hun aanwezigheid ongemakkelijk wordt. Het is mogelijk om het homohuwelijk van harte te ondersteunen en tegelijkertijd te vinden dat homoseksuelen zich in het openbaar wat minder nadrukkelijk mogen gedragen. Dezelfde persoon kan zichzelf daarbij zonder enige innerlijke tegenstrijdigheid buitengewoon tolerant vinden.
Want tolerantie vraagt weinig van iemand zolang de ander zich gedraagt op een manier die hem bevalt.
Het ongemak begint zodra die ander dezelfde vanzelfsprekendheid opeist die de meerderheid zichzelf al eeuwen toestaat.
Dat is waar het begrip acceptatie mij blijft tegenstaan. Hoe goedbedoeld het doorgaans ook wordt gebruikt, er blijft iets merkwaardigs zitten in de gedachte dat de vrijheid van de een een gunstige beoordeling door de ander behoeft. We zouden het absurd vinden wanneer een homoseksuele minderheid jaarlijks haar oordeel mocht uitspreken over de maatschappelijke aanvaardbaarheid van heteroseksualiteit, waarna heteroseksuele Nederlanders opgelucht zouden ademhalen omdat een meerderheid nog altijd positief tegenover hun geaardheid stond.
Toch is dat ongeveer de positie waarin we andere groepen voortdurend plaatsen, waarna we onszelf feliciteren wanneer de uitslag meezit.
Ik zou daarom best eens een onderzoek willen zien naar de acceptatie van heteroseksualiteit. Met dezelfde vragenlijst, dezelfde antwoordcategorieën en een persbericht waarin bezorgdheid wordt uitgesproken over het afnemende draagvlak voor heteroseksuele relaties.
Ik vermoed dat we dan onmiddellijk een heel ander debat krijgen.
Waarschijnlijk al bij de vraag waarom iemand daar überhaupt iets over te zeggen zou moeten hebben.